Blendle

Frida (56): ik rouw om mijn geheime liefde

Frida (56) had bijna vijf jaar een relatie met de getrouwde Thijs (56).  Vrijwel niemand wist ervan.
Toen hij plotseling overleed, stond ze als ‘schaduwweduwe’ alleen met haar verdriet.

“Op het achterste bankje in het crematorium zat ik: in elkaar gedoken als een gewonde kraai. Vooraan stond de kist met Thijs, zijn gezin op de eerste rij. Een week daarvoor was ik nog vol hoop en levensvreugde. Ik bofte maar met Thijs als mijn tweede kans. Nu was ik weer alleen en al mijn geluk verbrandde met Thijs mee in de oven.
Laatst hoorde ik de term ‘schaduwweduwe’. Het typeert exact hoe ik me voel. Ik ben de mysterieuze vrouw met de zwarte hoed die je in films weleens bij uitvaarten ziet.

Verliefd

Ik leerde Thijs kennen via sociale media. Hij reageerde op een foto en we bleven schrijven. Ik vond hem grappig, ad rem. De meeste mannen van zijn leeftijd zijn ingedut en saai. Thijs was bij de tijd, kende trends en bleef niet hangen in oude-mannen-taal. Na vijf weken liken en reageren, wisselden we e-mailadressen uit. Ik voelde kriebels, vertelde zelfs mijn beste vriendin over Thijs. Ik kon niet wachten hem in het echt te ontmoeten.
Al snel kwam de domper. In Thijs’ eerste mail schreef hij dat hij het heerlijk vond om te schrijven, maar ik moest weten dat hij getrouwd was en twee volwassen zonen had. Zijn vrouw Merel had SD, semantische dementie. Dat is een minder bekende dementievorm waarbij de betekenis van woorden verloren gaat. Merels geheugen was prima, maar ze had moeite met woorden. Een zwangere vrouw was ‘baby in buik’. Of ze kon niet meer op woorden komen, had in de supermarkt geen idee wat een bloemkool was en sprak over een ‘witte bolgroente’. Thijs schreef dat hij zich enorm eenzaam voelde. Bij verjaardagen en feestjes kon Merel geen gesprekken meer volgen en achteraf wist ze niet meer wie ze gezien had. Hij miste gelijkwaardige contact. Een goed gesprek. Intimiteit.
Ik begreep volkomen dat Thijs zijn vrouw niet wilde verlaten, ik zou hem daar zelfs voor veroordelen. Toch was ik teleurgesteld. Na mijn scheiding, negen jaar geleden, had ik twee keer gedate, maar bij allebei de heren voelde ik geen klik. Thijs leek mijn ideale man. Nu bleek hij bezet.
We bleven schrijven, prachtige en openhartige brieven. Ik had toch niets meer te verliezen, durfde me open te stellen. Ik bewonderde Thijs om zijn kracht om zijn huishouden alleen te runnen en daarbij voor Merel te zorgen, want veel dingen, zoals de dag doornemen, kon ze niet meer. Een fijne vriendschap bloeide op, dus toen Thijs vroeg of ik mee wilde naar de schouwburg omdat hij dat zo miste, leek me dat oprecht gezellig.

Kers op mijn levenstaart

In het echt bleek Thijs nog leuker dan achter een scherm. Ik voelde me die avond geliefd en mooi. Thijs en ik kletsten aan één stuk door. Haast had hij niet, een van zijn zonen ‘paste’ op Merel. En zonder dat ik het wilde, viel ik als een blok voor deze erudiete, grappige man. Wat was hij bijzonder!
Steeds vaker gingen we samen weg. Toen we na een strandwandeling voor het eerst zoenden, trilden mijn benen als een op hol geslagen centrifuge. Ook Thijs was verliefd, schreef hij de volgende dag. Het was niet zijn bedoeling, maar wel erg welkom in zijn leven. Hij begreep dat ik geen ‘bijvrouw’ wilde zijn, maar gezien het verloop van Merels ziekte die uiteindelijk terminaal was en de moeilijke tijden die nog kwamen, zou hij me graag blijven zien. Ik piekerde me suf. Toen mijn vriendin aangaf dat ze ons niet zou veroordelen en ons allebei begreep, dacht ik: we zien wel waar het schip strandt. We zijn verliefd, waarom zou ik dan de moraalridder uithangen? Afspreken met Thijs zou mijn leven verrijken. Hij was de kers op mijn levenstaart.
Thijs was blij met mijn beslissing. Hij vond het geweldig: samen uiteten, kletsen, knuffelen. Want Merel wilde niet meer aangeraakt worden. Ze vond seks vies en was bang dat Thijs haar pijn zou doen. Een van de symptomen van SD is dat de patiënt weinig flexibel is. Alles draaide al jaren om Merel en om wat zij wilde. De eerste keer dat Thijs en ik seks hadden, knuffelde hij me dankbaar en was hij erg in de war. Voor het eerst in zijn leven had hij zijn vrouw bedrogen en tegelijkertijd was hij opgelucht omdat hij lichamelijk zo genoten had.

Vanaf toen had ik een affaire met een getrouwde man. Alleen mijn beste vriendin wist van Thijs. Koppelpogingen sloeg ik af. Ik zei dat ik een happy single was. Thijs en ik spraken af bij mij thuis of in zijn vakantiewoning, want daar wilde Merel niet meer naar toe. We dansten, kookten en draaiden muziek. Soms zaten we in de tuin met een fles wijn tot er in de schemer een zwijntje of eekhoorn langskwam en we bijna uit elkaar barstten van geluk.
Wat ik heel erg aan Thijs waardeerde, was zijn eerlijkheid. Merel zou niet begrijpen wat hij miste, maar na een half jaar vol stiekeme afspraakjes, vertelde hij zijn twee zonen over mij. De een begreep het direct en vond het prima, zolang zijn vader maar discreet was. De ander reageerde verbolgen maar trok bij na een gesprek met zijn vrouw. Uiteindelijk heb ik zijn kinderen één keer ontmoet: Thijs nam me mee naar een popconcert dat zij ook bezochten. We kletsen een beetje, dronken na afloop een kop thee in de foyer en vertrokken in twee auto’s: Thijs en ik in de ene, zijn twee volwassen zonen in de andere. Onderweg kreeg Thijs een appje. We hebben veel verdriet om mama en zouden het graag anders zien. Maar Frida is een leuke vrouw en we hebben jou jarenlang zien zorgen. Als jij mama nooit verraadt, bewaren wij jouw geheim.
Ik gaf bijna licht, zo mooi vond ik dat bericht. Het stiekeme was eraf.
In het donker op die snelweg, onze vingers verstrengeld, tilde Thijs mijn hand op en kuste mijn vingertoppen. ‘Merel is mijn nummer één,’ zei hij. ‘Maar jouw tijd komt nog.’
Ik voelde alles in mij gloeien. Ik zou wachten en intussen redde ik me prima in mijn eentje.

Geen antwoord

Ik zag Thijs tweemaal per week. Dan namen we de week door en spraken zelfs over Merel en hoe het met haar ging. Thijs vond het heerlijk om over haar te praten, wilde haar niet wegdrukken of van haar of mij iets ‘stiekems’ maken. Merel hoorde erbij, ook al kreeg ze niet meer mee wat er in de wereld speelde. In vier jaar tijd werd ze alleen maar minder flexibel, had behoefte aan extreme routines en terugkerende dagplanningen. Uiteindelijk verloor Merel ook haar eetlust. Ze leefde op flesjes Nutridrink van de diëtiste en één pannenkoek per dag.
Ik had te doen met Thijs, die regelmatig aangaf dat ik zijn reddingsboei was. Zijn zonen bezochten hem vaak, maar als hij mij niet had gehad, zou hij ‘verdorren door eenzaamheid’. Stiekem droomde ik weleens over ‘later’. Dementie is een vonnis: de meeste patiënten sterven binnen tien jaar na diagnose. Uiteraard moest ik Thijs nu zijn vrijheid geven, maar misschien konden we na Merels overlijden eens samen op vakantie gaan? Of de weekenden latten?
Ik maakte in mijn kast en op mijn badkamerplanchet ruimte vrij voor spulletjes van Thijs. Ik kocht een tandenborstel en een herenvest voor de avonden dat het frisser werd. Telkens als ik het uit de wasmachine haalde, ging er een kriebel door mijn maag. Ik had een vriend. Een heel leuke. En ooit zouden we samen genieten en uren fietsen op de wadden zonder dat we na bijna vijf jaar ’s avonds afscheid van elkaar hoefden nemen.

Op een zondagavond vertelde Thijs dat hij een drukke week voor de boeg had. Hij was bezig met het regelen van een toelage voor Merel, zodat hij huishoudelijke hulp kon krijgen of misschien af en toe een oppas. Nu lukte alles met zijn zonen en een buurvrouw, maar Merel had steeds meer supervisie nodig. Zo liep ze vaak weg en zong liedjes op straat voor wildvreemde kinderen de ze wilde opvrolijken. Ik vond het dan ook niet vreemd dat Thijs drie dagen niet appte. En ook al las Merel nooit zijn berichten, die begreep ze niet meer, ik wilde Thijs niet voor de voeten lopen.
Aan het eind van de derde dag werd ik gebeld door een onbekend nummer. Het was Thijs’ oudste zoon die me zakelijk condoleerde en zei dat Thijs een hartstilstand had gehad. Hij wilde opstaan uit zijn stoel, kwam overeind en zakte zo weer omlaag. Hij had niet eens gemerkt dat hij overleed, zo snel ging het. Merel had boos de buurvrouw gehaald. Ik stond perplex. Ik had niets gemerkt! Niets gevoeld! Zijn zoon gaf aan dat de dienst openbaar was en dat Thijs’ gezin mij niet kon verbieden om te komen. Daarna noemde hij de tijd en plaats, iets wat ik zag als een verkapte uitnodiging.
Apathisch zat ik op mijn keukenstoel tot mijn koffie bitter en koud was. Toen ik de mok spoelde en opruimde, lagen in het keukenkastje koffiemelkcups. Ik gebruik geen melk. Ik had ze gekocht voor Thijs. Die cupjes daar, zo vertrouwd terwijl ik wist dat hij ze nooit meer zou opmaken, braken me. Snikkend belde ik mijn vriendin, die direct kwam. Ik weet nog dat ze afhaaleten haalde, maar dat ik geen hap heb genomen. Het bord met het restje in de koelkast gooide ik na vier dagen weg. Het voelde besmet, als een galgenmaal.
Die nacht sliep ik op de bank. Ik kon het niet verdragen om naar de badkamer te gaan en Thijs’ tandenborstel in de beker te zien staan. Voor de eerste keer in mijn leven werd ik weduwe, want zo voelde het, en er was niemand die ik kon vertellen welke muziek Thijs voor zijn uitvaart had willen horen. Ik kreeg geen enkele kaart en naast de woorden van mijn vriendin geen blijk van medeleven.

Jaloers

Tijdens de crematie zat ik achterin, op de laatste bank. De enige die vroeg waarvan ik Thijs kende, vertelde ik dat ik een goede vriendin was. Dat leek me voldoende. Ik wilde per sé mijn emoties in bedwang houden. Ook al was mijn verdriet intens en rauw, het zou ongepast zijn om harder te huilen dan Thijs’ gezin. Maar toen Thijs’ oudste zoon sprak ging het mis. Hij vertelde over Thijs’ eenzaamheid en hoe lief Thijs altijd was geweest voor zijn gezin. Hoe hij met Merel geen toekomst meer had om van te dromen, geen verleden om samen over te praten, maar ook geen heden had gehad, omdat gesprekken en contact met Merel niet meer mogelijk waren. Daarna sprak hij over de ‘kleine geneugten’ in Thijs’ leven, noemde zijn liefde voor muziek en zijn voorkeur voor Indisch eten. Hij keek heel even, bijna onzichtbaar, naar mij. Dat deed me zo vreselijk goed.

Toen ik wegging zag ik Merel met haar zonen achter het glas van de koffieruimte: een graatmager vrouwtje met grijs haar. Ze keek geamuseerd. Ik was stikjaloers op haar. Voor mij was er geen rouwkaart, geen arm om mijn schouder. Voor háár stonden ze in de rij om haar te condoleren en ze begreep niet eens wat er aan de hand was en waarom ze daar was. Voor haar was het een gezellig feestje.

Thuis worstelde ik nog zeker een half jaar met intens verdriet. Het kostte me maanden om Thijs’ kleding weg te gooien. Ik kon het niet verdragen dat iemand anders er ooit in zou lopen. Nu doe ik het met de foto’s die we van onszelf hebben gemaakt. ‘Ussies’ noemde Thijs ze altijd. Zijn lach, zijn onbevangen blik, mijn fantasie over samen oud worden. Wie had gedacht dat het zo totaal anders zou eindigen dan waar iedereen vanuit ging? Ik maakte mezelf maandenlang gek door mezelf wijs te maken dat Thijs’ vroege dood zijn straf was voor zijn bedrog aan zijn vrouw.

Met Thijs’ kinderen heb ik nooit meer contact opgenomen en zij ook niet met mij. Toch ben ik ze intens dankbaar dat ik bij zijn uitvaart kon zijn. Of Merel nog leeft, weet ik niet. Af en toe googel ik haar, maar ik kan niets over haar vinden. Regelmatig ben ik jaloers dat Thijs nog een plek heeft in hun leven, openlijk, dat ze zijn verjaardag samen herdenken en ik alleen proost op hem. En ik ben jaloers op het feit dat zij zo wordt betutteld, iets waarvoor ik me erg schaam. Merel is ernstig ziek, zal vroegtijdig overlijden. Haar herinneringen kan ze niet meer benoemen. De man waarmee ze trouwde, de vader van haar kinderen, is er voor haar al lang niet meer. Hoe kan ik dáár nu jaloers op zijn? Ik ben gezond, heb hopelijk nog jaren voor de boeg, kan nog reizen en heb financieel niets te klagen. Toch ben ik verbitterd. Het voelt zo oneerlijk.
Thijs’ dood heeft een zure vrouw van me gemaakt. Hoeveel leuke mannen ik nog tegenkom, niemand haalt het bij Thijs. Dit verdriet wil ik nooit meer voelen. Het is zoveel pijnlijker dan mijn scheiding. Mijn dromen, mijn hoop, een nieuwe start: alles is foetsie. Ik mis zelfs het vakantiehuisje, heb daar zoveel fijne momenten beleefd.
Ik teer op kleine dingen. Een winkeltrip met mijn vriendin. De kleindochter van de buurvrouw die bij me binnenloopt en waarvoor ik een boterham met hagel smeer. Een boeket tulpen van de markt. En ik kijk naar de foto’s van mij en Thijs. Het is mijn bewijs dat alles écht is gebeurd. Mijn steunpilaren zijn de herinneringen aan Thijs die ik altijd bij me draag, zoals zijn schaterlach in mijn hoofd en de geur van zijn aftershave die ik als ik in een parfumerie ben, stiekem op mijn pols spuit.”

*Wegens privacyredenen zijn de namen in dit interview gefingeerd.

©EvelineKarman